Graag geven wij u een overzicht van de rijke geschiedenis waarmee de Slotkapel is behept. Het geslacht Van Egmond als één van de oudste en machtigste geslachten uit onze vaderlandse geschiedenis met vertakkingen in zo’n beetje alle Europese Koningshuizen en hoven. Een familie die niet alleen door Goethe werd beschreven, maar waar ook Ludwig van Beethoven zijn Egmont Ouverture op schreef. Het Slot op den Hoef, als één van de grootste kastelen die ons land heeft gekend, waar zelfs kinderboeken over zijn verschenen en uiteraard De Slotkapel zelf met al haar kunstschatten en historische wetenswaardigheden.

Berwoud II van Egmond (1095 – 1158)

De eerste van Egmond die het rentmeesterschap in handen krijgt is een rijke boer die Berwoud heet. Berwoud II van Egmond wordt wel genoemd de eerste Heer van Egmond. Zijn geslacht is één van de oudste van ons land met als stamvader Radbolt I Heer van Egmond, uit de 9e eeuw. Vermoedelijk ook een vafstammelingen van koning Radboud. Berwoud II van Egmond, eigenlijk de 9e Heer van Egmond, was de zoon van Berwoud I en van Helionora, dochter van den Graaf van Oostervant. Berwoud II was een zeer devoot man maar nam desondanks deel aan de steeds terugkerende oorlogen tegen de West-Friezen waarbij hij op 1 mei 1114 in Vroonen (waar nu St. Pancras ligt) sneuvelde. Hij was gehuwd met Rosamunda, dochter van de Graaf van Vlaanderen, die een half jaar na Berwoud man overleed en met hem te Egmond begraven werd. Zij lieten na drie zonen, Albrecht, Dodo en Wasboldt, waarvan de beide eersten hier volgen. Berwoud, Rosamunde en hun nazaten woonden op een hoeve ten noorden van de Abdij en krijgen steeds meer macht.

Albrecht (1130 – 1168) & Dodo van Egmond (1128 – 1200)

Zoon Albrecht, 10e Heer van Egmond, was een gevreesd oorlogsman en verdreef met zijn broer Dodo de West-Friezen driemaal het land uit, waarvoor hij door Graaf Floris III tot Stadhouder van Holland werd aangesteld. Op 20 januari 1168 werd hij in zijn voortdurende strijd tegen de West-Friezen uiteindelijk omgebracht. Hij was ook de eerste Van Egmond die met de abt van de Abdij van Egmond over het rentmeesterschap van de Abdij in onmin raakte. Zijn broer Dodo volgde Albrecht op en werd daarmee de 11e Heer van Egmond. Ook hij nam deel aan de strijd tegen de Friezen en overleed in 1200, ongehuwd en zonder kinderen. De geschiedenis vertelt dat Dodo al in 1170 het eerste kasteel van Egmond zou hebben gebouwd. Een andere theorie is het dat de Heren van Egmond al in de 10e eeuw, nog vóór de stichting van de abdij, een eerste kasteel bouwden om de abdij, dat op de grens lag van vijandelijk gebied, West-Friesland, te beschermen.

Kruistochten

Het geslacht Van Egmond bestond uit fanatieke kruisvaarders. In het rijk dat de Arabieren in de 7e en 8e eeuw veroverden lag ook de stad Jeruzalem. Deze stad was voor zowel de christenen als voor de joden en moslims een heilige stad. Vele pelgrims bezochten de stad om het graf van Christus te bezoeken. In de 10e eeuw ging het gerucht dat pelgrims werden lastig gevallen in het Heilige Land door de Seldsjoeken, een volk dat de macht had veroverd in het gebied, dat we tegenwoordig Turkije, Syrië, Iran en Irak noemen. De paus riep eind 11e eeuw (1095) op om Jeruzalem op deze barbaren te veroveren. Zijn oproep werd met enthousiasme ontvangen. In 1096 vertrok een groot leger naar het Heilige Land. Niet alleen ridders namen deel aan de tocht ook het gewone volk uit de steden en boeren gaven gehoor aan de oproep. Velen geloofden dat ze dit in opdracht van God moesten doen, maar er waren ook mensen bij die hoopten rijk te worden of die het gewoon een spannend avontuur vonden. Er waren er ook bij die nogal wat misdaden op hun kerfstok hadden en zo aan hun straf probeerden te ontkomen. Dit enorme leger vertrok uit West-Europa te voet en te paard via Hongarije, Servië, Bulgarije en Constantinopel het rijk van de Seldsjoeken binnen. De mensenmassa was onderweg moeilijk in bedwang te houden. De kruistocht viel uiteen in een ridderleger en een volksleger. Dit volksleger trok plunderend door Europa. Velen stierven al ver voor het Heilige Land bereikt was. Het ridderleger had meer succes. In1099 bereikte het leger Jeruzalem en veroverde de stad. Alle inwoners werden vermoord, niet alleen de islamieten maar ook de joden. Na deze kruistocht volgen er meer, de 7e en laatste Kruistocht vond plaats in 1270. Ook Dodo van Egmond wordt voor zijn aandeel in verschillende kruistochten rijkelijk beloond. Het rentmeesterschap over gebied wordt vanaf dan door vererving bepaald en het gebied wordt totheerlijkheid verklaard. Een heerlijkheid is een bestuursvorm voortkomend uit een feodale onderverdeling van het overheidsgezag in de middeleeuwen.

Wouter I van Egmond (1158 – 1208)

Na Dodo’s overlijden wordt het rentmeesterschap geërfd door de zoon van Albrecht, Wouter I van Egmond, bijgenaamd de Quade, die na zijn geslaagde kruistochten als eerste de titel van ridder mag voeren. Ook hij heeft met de monniken van de Abdij niet veel op en maakt onder meer een einde aan het visrecht. Elke tiende vis moet voortaan naar het kasteel worden gebracht in plaats van naar de abdij. Hij belandt in een strijd met graaf Lodewijk van Loon die nauwe banden heeft met de abdij. Hij ontvoert diens vrouw gravin Ada naar Terschelling en laat haar inschepen naar Engeland. De graaf van Loon laat in 1203 uit wraak Wouters kasteel in de brand steken. Wouter verdenkt daar dan weer de monniken van en in de kerstnacht trekt hij met zijn krijgsvolk naar de abdij en raakt slaags met de kloosterknechten.

De krijgers steken een molen in brand en de grafelijke stallen. Kwade Wouter bouwt een nieuw en groter kasteel, maar zelf heeft hij daar weinig aan want hij overlijdt in 1208 op veertig jarige leeftijd.

Het ontstaan van de Slotkapel

Willem I van Egmond (1180 – 1234)
De volgende telg in het geslacht is Willem I Van Egmond, de tweede zoon van Wouter. Hij werd op 28 augustus 1215 tot rentmeester van de Sint-Adelbertabdij benoemd, dit deed hij tot 1221. Hij liet in 1227 een kapel bouwen bij het Slot, de huidige Slotkapel. Deze kapel, gewijd aan de Heilige Catharina, de patrones van de adel, is in 1229 gebouwd naast het kasteel van Egmond. Geschiedschrijvers vermoeden dat dit een tegenhanger van de abdij moet zijn want de verhoudingen met de abdij werden er niet beter op. Willem onderhield goede banden met verschillende aanzienlijke edelen als graaf Willem I en Floris IV. In het voorjaar van 1234 trok hij mee op kruistocht met Floris IV van Holland. Tijdens één van de veldslagen nabij de Elbe wordt Willem gedood. Zijn lichaam werd teruggebracht en begraven in het slotkapel in Egmond aan den Hoef.

Gerard I van Egmond (1200 – 1242)

Zoon Gerard I is de volgende erfgenaam. Ook hij bezocht twee maal het Heilige Land en zou op de laatste reis overleden en te Candia, op Kreta, in het Minnebroedersklooster begraven zijn. Vast staat dat hij overleed op 25 december 1242 en één zoon naliet, Willem II

Willem II van Egmond (1235 – 1304)

Hij stond omstreeks 1258 enkele gebieden (ook wel ambachten genoemd) af aan Graaf Floris IV en ontving daarvoor het ambacht Warmenhuizen van de grafelijkheid in leen. Nog verder breidde hij zijn gebied uit door koop van Huisduinen en andere rechten en goederen in die noordelijke duinstreek. Willem II Heer van Egmond begeeft zich in de kringen van onder meer graaf Floris V en Graaf Jan I, de bisschoppen van Utrecht en de abten van Egmond. Willem II overleed in 1304 en werd in de kloosterkerk te Egmond begraven. Willem II en zijn vrouw Ada kregen twee kinderen, een dochter Halewina, en een zoon Gerard II die al vóór zijn vader overleed waardoor de leenopvolging overging naar Willem III van Egmond, zoon van Gerard II.

Willem III van Egmond (1281- 1312)

Willem III onderhield net als zijn voorouders goede banden met de Hollandse Graven. Tijdens zijn leven Hij stichtte te Haarlem een Lazaruskapel en een klooster, genaamd Nieuwenklooster, in den Hout nabij Haarlem. Hij overleed op 2 Juli 1312 en werd bijgezet in het graf van zijn ouders in de Egmondse abdijkerk. Hij stierf kinderloos waardoor de erfopvolging overging op zijn broer Wouter II.

Wouter II van Egmond (1283 – 1321)

In 1312 gaf hij het door zijn broer gestichte klooster aan de Sint Jansheeren aldaar, op voorwaarde dat hij levenslang het vruchtgebruik zou behouden van de goederen bij Grayenhorst en in Coudenhove, bij Delft, welke zijn broeder aan deze nieuwe stichting gegeven had. In hetzelfde jaar werd hij door de abt van Egmond met de abdijleenen beleend en sloten zij een verdrag over hun wederzijds rechtsgebied waarmee de verstoorde verhoudingen tussen abdij en slot verbeterde. Wouter II overleed in 1321 en werd ook in de abdijkerk begraven. Hij liet drie zonen na, Jan I, Gerrit en Wouter.

Jan I van Egmond (1310 – 1369)

Ook Jan van Egmond liet zich niet onbetuigd bij diverse oorlogen en veldslagen. In 1328 vergezeld Jan graaf Willem III naar Vlaanderen om de graaf van dat land tegen de oproerigen uit Brugge en omstreken te helpen; in Augustus van dat jaar is hij aanwezig in den slag bij Cassel, waar met behulp van de Fransen de opstandelingen verslagen werden. Heer Jan was zeer in aanzien bij de graven Willem IV, V en Aelbrecht. In 1343 werd hij gecommitteerd om, tijdens de afwezigheid van de graven, ons land te bestieren. Jan is in 1350 een van de hoofdondertekenaars van de Kabeljauwse verbondsakte wat de Hoekse en Kabeljauwse twisten zouden in luiden. Hij is aanwezig bij de Slag bij Naarden (1350) en vocht ook mee bij de Slag bij Zwartewaal ook wel de Slag op de Maas genoemd. Jan van Egmont werd vervolgens naar Engeland gestuurd om het geschil tussen Margretha van Beieren en Willem V van Holland bij te praten. Hij vervolgt (terug in Nederland) met een krijgstocht tegen de burgers van Bunschoten, hervatte, na de winter van 1356 de oorlog door het kasteel van Nyevelt op last van de graaf te belegeren. Na zeven weken nam hij het in, waardoor de oorlog tot een einde kwam. In 1356 wordt Jan I van Egmond door Willem V van Holland tot stadhouder benoemd van het gebied boven de Maas, dit stadhouderschap oefende hij uit tezamen met zijn broer Gerrit. In 1359 tekent hij als een van de hoofdmannen van de Kabeljauwsche partij de zoenbrief met Delft (1359). Wat zijn verhouding met de abten van Egmond aangaat het volgende. Hij schijnt met zijn handlangers, Gerard van Heemskerk en Wouter van Meresteijn, onder het bewind van abt Hugo van Assendelft, vooral in de jaren 1360 en 1361 het klooster veel overlast te hebben bezorgd, door gewelddadig tegen de bewoners en de bezittingen op te treden. Tot zijn dood in 1369 vindt men hem in de omgeving van de graaf. Hij wordt begraven in de kerk te IJselstein begraven. Heer Jan was in 1330 of 1331 gehuwd met jonkvrouwe Guyote van Amstel, erfdochter van Arnoud, heer van IJselstein.

Arent van Egmond (1337 – 1409)

De Erfopvolger van Jan I van Egmond was zijn oudste zoon Arent. Heer Arent was van de aanzienlijkste Hollandse edelen van het einde van de 14e eeuw. Hij stond in hoge gunst bij hertog Aelbrecht, onder wiens, evenals zijn vader was hij vurig Kabeljauwschgezind en in 1379 is hij aanwezig bij de inhuldiging van de nieuwe bisschop van Utrecht, Floris van Wevelinkhoven. Een jaar later vergezelde hij de bisschop naar Overijssel om het slot Eerde, dat door de burchtheer tot een roofnest gemaakt was, te helpen nemen, hetgeen na een beleg van vijf weken lukte. In de daarop volgende jaren komt heer Arent steeds in de naaste omgeving van hertog Aelbrecht voor en volgde hem in 1396, 1398, 1399 en 1400 op diens Frieze tochten. In het laatstgenoemde jaar voerde hij, als ‘maerschalck ende beleder van den here’, het bevel over de Hollandse krijgsmacht. In 1398 werden zijn diensten beloond, doordat hij in het veroverde gebied de goederen Ameland en het Bilt in leen kreeg. Arent stond niet alleen als oorlogsman te boek, ook vredesmissies hadden zijn aandacht. In 1394 stichtte hij buiten de wallen van zijn stad IJselstein een klooster der Cistercienserorde, genaamd O.L.V. Berg, en in 1398 in de parochiale kerk van Sint Nicolaas aldaar een kapittel van acht kanunniken. Te Egmond liet hij de Slotkapel fraaier opbouwen, het kasteel op den Hoef met nieuwe grachten omringen en van daar een vaart naar Alkmaar graven, nog steeds bekend als de Hoever vaart.

Evenals zijne voorouders streed ook heer Arent met de abten van Egmond over verschillende heerlijke rechten, maar hij werd dank zij zijn vriendschap met de hertog voortdurend door deze in het gelijk gesteld, zodat hij zelfs van Aelbrecht de hooge heerlijkheid van Egmond in leen kreeg, nadat de abt die aan de landsheer had opgedragen in 1396. Aelbrecht’s zoon Willem VI, die de Kabeljauwse heer Arent helemaal niet goed gezind was, maakte dit weer ongedaan. Willem VI ging zelfs zover dat hij al Arent’s bezittingen in beslag nam, maar moest dit in 1408 weer opheffen, toen hij zijn broer Jan in diens strijd met de Luikenaren te hulp wilde komen en daarvoor de steun van de Hollandse edelen behoefde. Heer Arent overleed op 9 april 1409 en werd in het door hem gestichte klooster te IJselstein begraven. Heer Arent liet twee zoons na: Jan II en Willem.

Jan II van Egmond (1384 -1451)

bijgenaamd Jan met de Bellen, wegens een met bellen versierd harnas, zoon en leenvolger van Arent . Evenals zijn vader zal hij in twist zijn geraakt met graaf Willem VI, daar hij zijn leven lang de Kabeljauwse tradities van zijn geslacht volgde; in 1408 (24 Juni) bezegelde hij de brief, waarbij zijn vader zich met de graaf verzoende. Na de dood van zijn vader in 1409 volgde hij deze in de Egmondse en IJselsteinse bezittingen op en werd aldus een van de machtigste edelen in het graafschap. Kort daarna trouwde hij met Maria van Arkel. Dit huwelijk met een dochter uit het geslacht, dat aan het hoofd stond van de Kabeljauwse partij en dus van het verzet tegen Willem VI, zou voor heer Jan grote gevolgen hebben.

Voorlopig bleef Jan nog raadsheer van de graaf van Holland en deed deze uitspraak in de twisten tussen de heer van Egmond en de abdij. Een jaar na hun trouwen keerde Arkel en Gelre zich wederom tegen Holland, maar de vrede werd spoedig gesloten, zodat de verhouding met Egmond goed bleef. Wel had graaf Willem vernomen, dat sommige van zijn edelen hem wilden doden en daagde in 1414 heer Jan van Egmond. Jan gaf daaraan geen gevolg, de zaak bleef hangende, maar hij schijnt het veiliger gevonden te hebben het land te verlaten en een wijkplaats te zoeken in Luik, vanwaar hij 15 Maart 1416 aan de graaf een brief zond. Zes weken later (op 5 Mei 1416) beval Willem VI de Egmondse goederen in beslag te nemen. Overal werden nu bewaarders en rentmeesters aangesteld, een krijgstocht tegen IJselstein uitgeschreven, maar kort daarop volgden een verzoening én de dood van Egmond’s vijand Willem VI. Intussen was heer Jan in nieuwe twisten geraakt met het klooster te Egmond en had de abt Gerard van Ockenberg gedwongen de wijk te nemen naar Utrecht, terwijl hij Jan van Beieren ertoe bracht bij het pauselijke hof een klacht tegen de abt en de kloosterlingen in te dienen. Terwijl dit nog hangende was, overleed abt Gerard (1424) en werd opgevolgd door Willem van Matenesse, die door den heer van Egmond gevangen werd gezet op het kasteel Rosendaal bij Arnhem en vervangen werd door Gijsbert van Vliet, een der creaturen van heer Jan. Abt Gijsbert moest echter in 1427 het veld ruimen voor Matenesse, die later een compromis met de heer van Egmond zou sluiten.

In de troebele tijden, waarin Holland in dit tijdperk verkeerde, schijnt heer Jan grote sommen aan de landsheren te hebben voorgeschoten, zodat hij het slot en de heerlijkheid Leerdam, benevens Buren in bezit kreeg en in 1429 met Philips van Bourgondië een afrekening maakte, waarbij de schuld aan Jan op het aanzienlijke bedrag van 40.000 schilden bepaald werd. Na nog allerlei twisten met het klooster werd eindelijk in 1439 tussen hem en abt Willem van Matenesse een zoen getroffen, onder goedkeuring van paus Eugenius IV, uitgesproken door den hertog van Bourgondië. De heerlijkheid van Egmond werd daardoor geheel van het klooster afgescheiden, onder protest echter van de abt. De twisten duurden dan ook nog jaren lang voort, hetgeen nog verergerd werd door onenigheden onder de kloosterbroeders.

Heer Jan liet in 1430, om het aanzien van de kloosters te verzwakken de kapel afbreken en opnieuw en groter herbouwen. Ook liet hij zes kanunniken komen om de koorgebeden en de eredienst te doen. Hierdoor werd het slot onafhankelijk van de abdij waarmee de graven in onmin leefden. Jan met de Bellen overleed op 4 januari 1451 en is in de Slotkapel begraven. Zijn grafsteen is nog goed zichtbaar in de kapel. Zijn kleinzoon Jan liet boven zijn graf een tombe oprichten. Maria van Arkel, overleed zeer jong op 19 Juli 1415 en werd op het koor van de kerk te IJselstein begraven. Zij liet haar man twee kinderen na: Arnoud, hertog van Gelre, en Willem.

Willem IV van Egmont (1412 –1483)

Willem was een zoon van Jan II van Egmont en een jongere broer van Arnold van Egmont, hertog van Gelre. Willem die in 1444 van zijn broeder de heerlijkheid Mechelen had gekregen, moest deze in 1459, nadat er een twist was ontstaan over het rechtmatige van het bezit, overlaten aan de maarschalk van Brabant, Jan heer van Wesemael, die Mechelen bij zijn dood (1462) aan Karel den Stoute naliet. Hij ging met zijn broers samen met een groot gevolg naar het Heilige land (1458-1464) en werden op deze reis te Rome door paus Pius II plechtig ontvangen. Hoewel hij in 1452 tot raadsheer bij het Hof van Holland was benoemd, verbleef hij meestal in Gelre, waar hij zijn broer steunde in zijn conflicten met diens zoon Adolf van Egmont. Nadat Adolf zijn vader had opgesloten, voerde Willem de pro-Bourgondische partij aan.

Toen de Bourgondische hertog Karel de Stoute in 1473 de macht in Gelre verwierf, benoemde hij Willem tot stadhouder. Deze voelde zich echter te oud voor het ambt. Later zou zijn gelijknamige zoon eveneens stadhouder worden van Gelre. In 1477 nam Maria van Bourgondië Willem op in haar Grote Raad. Heer Willem was in 1478 op het kapittel te Brugge ridder van het Gulden Vlies gemaakt.

Jan III, eerste Graaf van Egmond (1438 – 1516)

Rond het kasteel en de kapel groeit het dorp Egmond aan den Hoef. In 1486 ontvangt Jan III, Manke Jan, die legeraanvoerder is van Maximiliaan van Oostenrijk de graventitel en hij wordt stadhouder van Holland. Ook is hij de grote leider van de Kabeljauwen in de Hoekse en Kabeljauwse twisten. In die tijd is het Slot op zijn hoogtepunt ofwel ’In Welstand’ zoals op oude gravures staat. Het heet de grootste en schoonste burcht van Holland te zijn en de hoogste toren, de Donjon is 28 meter hoog. Jan van Egmond ging op 25-jarige leeftijd naar Jeruzalem en werd daar geridderd; teruggekeerd steunde hij zijn vader in diens Gelderse politiek en was één van de meest strijdlustige hoofden van de Kabeljauwsche partij. In 1474 woonde hij met zijn broeder Frederik aan de zijde van Karel de Stoute het beleg van Neuss bij; hij was in 1476 raad in het Hof van Holland, in 1477, evenals zijne broeders, kamerheer van Maximiliaan, deed in 1479 een vergeefse aanslag op Hoorn, trad daarna als hoofd van de Kabeljauwsen op te Haarlem en Den Haag, nam hetzelfde jaar Leiden op de Hoeksen, veroverde 1480 Wageningen, verdedigde 1481 als kastelein Gorkum tegen de Geldersen en nam Dordrecht bij verrassing. Het volgend jaar hielp hij Hoorn innemen en het beleg van IJselstein opbreken; hij oorloogde 1483 in het Sticht. Na den dood van stadhouder Joost van Lalaing (5 Aug. 1483) werd heer Jan, ingevolge het van Maximiliaan verkregen privilegie, dat de stadhouder een landsman moest zijn, zijn opvolger. Ook in die hoedanigheid vinden wij hem jaarlijks in het veld, in 1487 in Friesland als bondgenoot der Vetkopers; in 1489 in Holland bij het innemen van Hoorn, Poelgeest, Woerden en andere hoeksgezinde plaatsen; in 1490 nam hij Montfoort en versloeg Frans van Brederode en diens aanhang in een scheepsstrijd op de zeeuwsche wateren; in 1492 hielp hij het oproerige Kaas- en Broodvolk bedwingen; in 1507 vindt men heer Jan weer te velde bij het beleg van het slot Poederoyen, maar hij werd oud. In September 1515 legde hij het stadhouderschap neer, werd daarin opgevolgd door graaf Hendrik van Nassau en overleed in Augustus van het volgend jaar, 77 jaar oud. Heer Jan was gehuwd met de toen 20-jarige Magdalena gravin van Werdenberg, dochter van graaf George en van Catherina markgravin van Baden. Dit huwelijk, met de niet-rijke Duitse gravendochter, schijnt vooral op aandringen van Maximiliaan te zijn gesloten. Magdalena werd in 1538 bij haar man begraven; zij had hem vijftien kinderen geschonken, waarvan acht jong stierven. De overigen waren onder meer Jan, de 2e graaf en George, bisschop van Utrecht en Walburga gehuwd met Willem Den Oude, graaf van Nassau (die door zijn 2e huwelijk met Juliana gravin van Stolberg, vader werd van prins Willem van Oranje.

Jan IV, tweede Graaf van Egmond (1499 – 1528)

Hij was de onafscheidelijke volgeling van Karel V, wie hij op al diens reizen en krijgstochten, als kamerheer, vergezelde. In 1527 werd hij benoemd tot generaal der lichte ruiterij van het koninkrijk Napels en het hertogdom Milaan, en was ook ridder in de orde van het Gulden Vlies. Hij werd in Italië ziek en overleed op 19 of 29 April 1528, slechts 29 jaren oud, te Ferrara. Zijn lijk werd in de St. Marcuskerk te Milaan begraven, zijn hart naar de Egmondse abdijkerk gevoerd.

Lamoraal van Egmond (1522 – 1568)

Aan het begin van de tachtigjarige oorlog (1568-1648) was het kasteel in handen van de zoon van Jan IV: graaf Lamoraal I van Egmond. Lamoraal was trouw aan Spanje en aan zijn katholieke geloof. Hij is opperste legeraanvoerder van de koning van Spanje, ridder van het Gulden Vlies, grootgrondbezitter o.a. in Vlaanderen en Artois, en lid van de Raad van State evenals zijn vrienden Filips, de graaf van Horne en Willem van Oranje.Zijn belangrijkste daad voor Egmond is dat hij de Egmondermeer laat inpolderen. Daarnaast probeerde hij steeds de Spaanse koning Filips II en de Nederlandse edelen met elkaar te verzoenen. Vanwege zijn sympathieën voor de zaak van de opstandige Hollandse gewesten werd Lamoraal door de Spanjaarden gevangen genomen.

Ondanks zijn trouw aan de Spaanse koning werd hij beschuldigd van hoogverraad en samen met de graaf van Horne in 1568 in Brussel onthoofd. Goethe dicht over dit drama en Van Beethoven schrijft daar muziek op zoals de Ouverture Egmond.

Het Beleg van Alkmaar

Op 21 augustus 1573 belegert het Spaanse leger Alkmaar. Op 22 augustus wordt de eerste aanval ingezet, waarbij aan beide zijden dodelijke slachtoffers vallen. Op 23 augustus wordt vanuit Alkmaar om versterking gevraagd door Cabiliau, en het verzoek om dijken door te steken. Vanaf 25 augustus worden diverse schijnaanvallen uitgevoerd om de Alkmaarders in verwarring te brengen. Een tweede verzoek van Cabiliau waarin om hulp gevraagd wordt. Op 18 september wordt de grote Spaanse aanval uitgevoerd. De Alkmaarders hielden de Spanjaarden echter met kokend teer en brandende takkenbossen op afstand. Ook vochten vrouwen heldhaftig mee waaronder Trijn Rembrands, ook wel de Kenau van Alkmaar genoemd. Op 23 september worden, in opdracht van Willem van Oranje, uiteindelijk dijken doorgestoken waardoor Spaanse troepen in de modder blijven steken. Het keerpunt van de strijd tegen de Spanjaarden kwam toen Don Frederik, zoon van Alva, zich terugtrok na tevergeefs geprobeerd te hebben de stad in te nemen. Hier komt de uitdrukking “Bij Alkmaar begint de victorie” vandaan. Op 8 oktober is de laatste Spanjaard vertrokken en is Alkmaar ontzet.

Het Slot op den Hoef onder vuur

Ook het Slot op den Hoef werd door de Spanjaarden geconfisqueerd. Om te voorkomen dat de Spanjaarden dit strategisch gelegen kasteel daadwerkelijk in handen kregen, liet Willem van Oranje het Slot op de Hoef in brand steken; er bleef slechts een ruïne over. De ruïne bleef vervolgens in handen van de heren van Egmond. Echter aan het begin van de 17e eeuw had Lamoraal II van Egmond (†1617) zoveel schulden dat de ruïne in 1607 aan de Staten van Holland verviel. In de loop van de 18e eeuw wisten de heren van Egmond het kasteel terug te kopen en lieten twee torens restaureren. Hierna wisselde het kasteel nog een paar keer van eigenaar en, in 1798, werd het zeer bouwvallige kasteel uiteindelijk aan slopers verkocht. De rentmeestertoren met het gemeente uurwerk van Christiaan Huygens wordt hersteld maar in 1832 weer halverwege afgebroken. In 1836 was het gehele slot gesloopt, waarna de fundamenten langzaam onder de stuifzand verdwenen. Dan is er naast de wel herbouwde Slotkapel weinig meer over dan een stukje ruïnemuur van de Rentmeestertoren, omgeven door drassig land.

In de jaren 1933 – 1934 laat grondeigenaar het PWN, die ook het duingebied beheert, in het kader van een werkverschaffingsproject, de fundamenten van het kasteel droog leggen, opgraven en weer opmetselen tot vlak boven het maaiveld. Er komen prachtige gebruiks-voorwerpen tevoorschijn en wapens nog uit de tijd van Kwade Wouter. Ook worden de resten gevonden van een ronde palissadeburcht, de versterkte hoeve van de rentmeesters. Het moeras rond de fundamenten wordt weer een echte slotgracht. Langzaam groeit dan het besef dat hier in het oude Slotkwartier een bijzonder stuk vaderlandse geschiedenis ligt opgesloten.

De Slotkapel

Ook de Slotkapel raakt tijdens de aanvallen in 1573 zwaar beschadigd. In 1633 wordt de Slotkapel in opdracht van de Staten van Holland hersteld. Voor het herstel werden door diverse steden, edelen en compagnieën uit die tijd schenkingen gedaan, waaronder de fantastisch gebrandschilderde ramen. De Slotkapel veranderde na de reformatie in een Nederlands Hervormde Kerk die de eeuwen daarna de kerk in gebruik heeft gehad. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de gebrandschilderde ramen in veiligheid gebracht en later weer teruggeplaatst. In 1960 is de Slotkapel in zodanig slechte staat, dat bij de gemeente al aan sloop wordt gedacht want er is altijd wel behoefte aan plek voor woningen. Kunstenaar Bob Denneboom luidt de noodklok en weet dan een aantal mensen te motiveren om geld bijeen te brengen voor restauratie. Een van de ondersteuners is de in Egmond zeer geliefde huisarts dokter Moons. Vanaf dan gaat het weer de goede kant op met de kapel. In de jaren tachtig is opnieuw groot onderhoud noodzakelijk en de Hervormde gemeente draagt het eigendom van de kerk voor één gulden over aan de Stichting Restauratie Slotkapel. Dat brengt wel enige verplichtingen met zich mee. In de kapel moet een boek zijn waarin de inspanningen van een leger van vrijwilligers en donateurs zijn opgetekend. Zo zijn er tal van kunstmanifestaties, lezingen en exposities geweest. Het is een indrukwekkende lijst. Eind jaren negentig wordt ook de zerkenvloer aangepakt om die voor de volgende eeuwen goed te houden. Penningmeester Cees Blaauboer aan wie de kapel veel te danken heeft, brengt alle zerken in kaart en dan kan het werk beginnen. De Slotkapel verandert in een reusachtige zandbak en bij de werkzaamheden wordt een fantastische ontdekking gedaan: De deksteen van de verdwenen graftombe van Jan II komt te voorschijn en krijgt een ereplaats in de schitterend gerestaureerde kapel.

Andere beroemde Egmonders

Rond het slot is al die eeuwen landbouw, veeteelt en visserij geweest en de Hoevervaart naar Alkmaar wordt druk bevaren vanwege de handel. Het dorp staat in het begin van de 20e eeuw in de belangstelling van een Amerikaanse schilderskolonie tot wie o.a. Gari Melchers en George Hitchcock behoren. Zo hangt menig Egmonder in een Amerikaans museum. Ook de Duitse kunstenaar Erwin Bowien tekent en schildert vele dorpsbewoners. Andere bekende oud-inwoners van Egmond aan den Hoef zijn de Franse wiskundige en filosoof René Descartes, Isaac le Maire, medeoprichter van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en Nicolaas Witsen.

Nicolaas Witsen (1641 – 1717)
Witsen was een cartograaf, schrijver, diplomaat, schepen en dertien keer burgemeester van Amsterdam tussen 1682-1706. Daarnaast was hij gedeputeerde ter Staten-Generaal, in 1693 bewindhebber van de WOC en ambassadeur extraordinaris aan het hof in Engeland. Witsen was een autoriteit op het gebied van scheepsbouw. Zijn boeken zijn belangrijke bronnen over de Nederlandse scheepsbouw in de 17de eeuw. Hij liet een buitenverblijf bouwen in Egmond aan den Hoef, die de naam Tijdverdrijf droeg. Door zijn kennis op het gebied van de scheepsbouw onderhield hij veel correspondentie met Tsaar Peter de Grote, die zijn vloot wilde moderniseren. Dit leidde tot de bestelling van een aantal oorlogsschepen bij Amsterdamse werven. Hij ligt begraven in de Slotkapel. Voor hem is een praalgraf gemaakt.

Het Scheepje van de Slotkapel
(Model van een koopvaarder, type: brik, hangend blokmodel, lengte 50 cm., zonder zeilen, 1856)

In de notulen van de kerkvoogdij d.d. 4 april 1856 komt de volgende passage voor: “Voorts is besloten het scheepje, dat door Jakob Krans Sieuwerts aan de kerk ten geschenke is gegeven zal worden opgehangen in de kerk te Egmond aan den Hoef voor het monument van Witsen”. De schenker, die waarschijnlijk ook de bouwer van het scheepje is, wordt reeds in 1819 als lidmaat der gemeente genoemd. Thans hangt het model, dat vrij grof is uitgevoerd, niet meer voor het grafmonument van Nicolaes Witsen, maar in het koor van de kerk. Het scheepje heeft twee ankers en een sloep aan boord.